Naar de inhoud
De Belgische Koopvaardij in oorlog · 1830–heden

Het verhaal

Tussen september 1939 en juli 1945 verloor de Belgische koopvaardij eenenvijftig schepen en meer dan vijftienhonderd mensen. Dit is hoe dat ging: wat een klein land met een grote vloot deed toen zijn eigen havens bezet waren, en wat het kostte.

Een klein land met een grote vloot

België had in 1939 nauwelijks zeventig kilometer kust en geen enkele traditie van zeemacht, maar wel een koopvaardijvloot die in september van dat jaar 472.182 brutoton mat. Dat kwam door twee dingen: Antwerpen, dat na Rotterdam de grootste haven van het vasteland was, en Kongo. De Compagnie Maritime Belge voer op Matadi en Boma met passagiersschepen die in Antwerpen begrippen waren – de Albertville, de Elisabethville, de Leopoldville, de Thysville. Daarnaast voeren er tientallen kleinere reders: kustvaarders van vijfhonderd ton die op Engeland en Frankrijk voeren, tankers voor Purfina uit Gent, vrachtschepen van Deppe.

Van die vloot bleef na zes jaar oorlog iets meer dan de helft over. Wat hieronder staat is het deel waarvan een bemanningslijst bewaard is gebleven: zesenzestig lijsten, samen 2.487 mensen.

Neutraal, en toch al doden

België was neutraal tot 10 mei 1940, maar de zee was dat niet. Op 15 september 1939, twee weken na de Duitse inval in Polen, liep de Alex van Opstal ten zuiden van Weymouth op een Duitse mijn. Iedereen kwam eraf. Het was het eerste Belgische koopvaardijschip dat in deze oorlog verloren ging, en het gebeurde acht maanden voordat België er zelf in betrokken was.

Daarna volgden ze elkaar op. De Rosa in december, de Josephine-Charlotte en de Meuse in januari 1940. De Meuse was een kustvaarder van zeshonderdeenentachtig ton met twaalf man aan boord. Alle twaalf verdronken. Dat is het patroon dat de hele oorlog terugkomt: hoe kleiner het schip, hoe kleiner de kans dat er iemand af komt.

17 mei 1940: één telefoongesprek

Zeven dagen na de inval, met het Belgische leger nog in het veld, belde de directeur-generaal van het Zeewezen vanuit Brussel naar de ambassade in Londen met het bevel de hele koopvaardijvloot op te eisen. De ambassade seinde het door aan Belgische diplomaten en consuls over de hele wereld. Van dat ogenblik af voeren de schepen niet meer voor hun reder, maar voor de regering in ballingschap, verhuurd aan het Britse Ministry of War Transport.

Praktisch betekende het dit: een schip dat in Rio lag of in Lourenco Marques kreeg per telegram te horen dat het voortaan onder geallieerd bevel voer. De bemanning kon niet naar huis – thuis was bezet. Velen van hen zouden hun gezin vijf jaar niet zien. De reders bleven op papier bestaan, maar bepaalden niets meer.

Londen, en de mannen achter het kanon

De vloot was opgeëist, maar door wie eigenlijk? De Belgische regering was in mei 1940 niet in Londen. Ze was in Frankrijk, en toen de Britten haar op 20 juni 1940 aanboden over te komen, sloeg premier Pierlot dat aanbod af; hij wilde zich eerst om de ontheemde Belgen bekommeren. Pas in oktober 1940 kwam de regering in Londen aan.

In die tussentijd werd de vloot bestuurd door een comité. Al op 11 mei 1940, de dag na de inval, was op de Belgische ambassade in Londen het Belgian Shipping Advisory Committee opgericht, met toezicht op elk Belgisch schip dat buiten Duits bereik was gebleven. De man van de regering-Pierlot in Londen was René Boël van dat comité. Diezelfde weken werd ook de hele visserijvloot opgeëist: 507 vaartuigen, waarvan ongeveer de helft Engeland haalde.

Toen de regering er eenmaal was, lag de koopvaardij niet bij Landsverdediging maar bij Camille Gutt, minister van financiën en van verkeerswezen – want daar hoorde de zeevaart voor de oorlog nu eenmaal thuis.

De Belgian Marine

Koopvaardijschepen kregen kanonnen, en kanonnen hebben schutters nodig. De Nederlanders en de Noren haalden die uit hun marine. België had geen marine, en koos in november 1940 een eigen weg: een aparte troepenmacht, de Belgian Marine. Het leger stond de mannen af. Ze werden opgeleid in het Britse D.E.M.S.-centrum in Liverpool, droegen een Brits marine-uniform met een mutslint Belgian Marine en schouderstukken BELGIUM, en voeren mee op de koopvaarders. Aan het eind van de oorlog werd de eenheid opgeheven.

Die eenheid is niet de Zeemacht. De Zeemacht bestond in de oorlog nog niet: zij werd pas in 1946 opgericht, uit de Royal Navy Section Belge, de Belgische afdeling van de Britse marine waarin vooral vissers dienden. De Belgian Marine was iets anders – geen marine maar landmacht op zee, alleen voor de kanonnen van de koopvaarders, en bij het eind van de oorlog opgeheven. Waar de Zeemacht dan wel vandaan komt, staat op een eigen bladzijde.

In de bemanningslijsten van deze databank staan 176 schutters. Tweeentachtig van hen zijn als Brits genoteerd; de meeste anderen dragen geen nationaliteit, wat in deze bron Belg betekent. Zo voer de President Francqui met zeven kanonniers en een chief-gunner aan boord, Belgen en Britten door elkaar.

Wie al bij de koopvaardij voer, mocht er trouwens niet weg. Bemanningsleden van Belgische koopvaardijschepen werd uitdrukkelijk verboden dienst te nemen bij de Belgische sectie van de Royal Navy, juist om de koopvaardij op sterkte te houden. Pas in december 1942 liet de regering de zeelieden gaan die in het leger zaten: een honderdtal man, waarvan de koopvaarders terugkeerden naar de koopvaardij en de vissers naar de marine gingen.

Overlevenden van de Emile Francqui, op 16 december 1942 getorpedeerd op de Atlantische Oceaan; van de zevenentachtig opvarenden kwamen er tweeënvijftig om. De twee zittende matrozen dragen het mutslint <i>Belgian Marine</i>: het zijn de kanonniers van het schip.
Overlevenden van de Emile Francqui, op 16 december 1942 getorpedeerd op de Atlantische Oceaan; van de zevenentachtig opvarenden kwamen er tweeënvijftig om. De twee zittende matrozen dragen het mutslint Belgian Marine: het zijn de kanonniers van het schip.

Juni 1940: vier schepen in elf dagen

Toen de Duitse opmars de Kanaalkust bereikte, lagen Belgische schepen in Franse havens. Op 11 juni 1940 gingen er drie op één dag verloren. De Albertville, elfduizend ton, werd bij Le Havre gebombardeerd; de Piriapolis ook. De kleine Yvonne verdween met tien van haar elf opvarenden.

Juni 1940 is in aantal schepen de zwaarste maand van de hele oorlog. Niet op de Atlantische Oceaan, maar vlak voor de kust van Normandië, binnen zicht van land.

De Atlantische slag

Vanaf de herfst van 1940 verschoof alles naar de oceaan. De schepen voeren in konvooi, twintig of vijftig tegelijk, in kolommen, op de traagste snelheid die de traagste boot nog haalde. Een Belgisch schip voer zelden met andere Belgen; het kreeg zijn plaats in het konvooi toegewezen zoals elk ander. Op de konvooipagina staat van welke konvooien we het weten.

1941 en 1942 waren de ergste jaren: zeventien schepen in 1941, elf in 1942, maar die elf waren groter en zwaarder bemand. Op 22 januari 1942 werd de Gandia getorpedeerd. Van de negenenzeventig opvarenden kwamen er vijfenzestig om. Van elke man is genoteerd in welke reddingboot hij terechtkwam, nummer 2 of nummer 4; de meesten kwamen alsnog om in de boot. Veertien man haalden het.

Elf maanden later, in december 1942, verloor de Compagnie Maritime Belge binnen twaalf dagen twee schepen die naar dezelfde man genoemd waren: de Emile Francqui op de zestiende, met tweeënvijftig doden, en de tanker President Francqui op de achtentwintigste. Op dat tweede schip voer Constant Senten, provisiesteward. Hij nam plaats op het kleine vlot dat achter de sloep werd gesleept. In de nacht van 31 december brak de lijn.

De tanker President Francqui, gefotografeerd door de Amerikaanse kustwacht op 8 mei 1942. Zeven maanden later lag zij ten noorden van de Azoren op de bodem.
De tanker President Francqui, gefotografeerd door de Amerikaanse kustwacht op 8 mei 1942. Zeven maanden later lag zij ten noorden van de Azoren op de bodem.

Kongo bleef varen

De lijn op Kongo hield de hele oorlog stand, en werd belangrijker dan ooit: koper, rubber, palmolie en uranium kwamen over zee naar de geallieerde oorlogsindustrie. Dat maakte de Kongoschepen ook doelwit. De Kabalo, de Kasongo, de Moanda, de Mokambo – de namen op de verlieslïjst lezen als een kaart van Katanga.

Op de bemanningslijsten staan bijna vijftig Kongolese zeelieden. Zij varen in deze databank onder de nationaliteit die de bron afdrukt – “Kongo” of “Kongolees” – en vaak zonder voornaam, soms zonder familienaam. Dat is hoe het genoteerd werd.

Het schoolschip Mercator

Van al die officieren is één groep apart te volgen, omdat van hun reis een dagboek bewaard is gebleven. Het schoolschip Mercator, een barkentijn van 779 ton, vertrok op 21 februari 1940 uit Oostende voor haar twintigste kruisvaart: Tenerife, Rio de Janeiro, Sint-Helena en terug, vier maanden. Aan boord vijfenzeventig man, onder commandant Remy Van de Sande. Omdat België neutraal was, stond op beide flanken een huizenhoge Belgische vlag geschilderd, 's nachts met een schijnwerper erop. Bij het uitvaren werden ze door oude loodsboten van het Korps Mariniers tussen de mijnen door geloodst; op honderd meter dreven er drie voorbij.

Kadet André Demortier hield een agenda bij, in het Frans, met tekeningen van boten en kustlijnen. Op 10 mei 1940 schreef hij bovenaan de bladzijde: War between Belgium and Germany. Om half vijf 's morgens moesten ze aantreden in het vooronder, waar de commandant het nieuws bracht, een vurige rede hield en eindigde met “Leve België!” Iedereen was tot tranen toe geroerd. Die dag liepen ze 164 mijl.

Daarna raakten ze nergens meer welkom. Op Sint-Helena kregen ze de minachting van Fransen en Engelsen te verduren, dus stuurde de commandant het schip naar neutraal Portugees water. Op 13 mei liepen ze Lobito binnen, waar ook twee Duitse schepen met hakenkruisvlag lagen. Instructies kwamen er niet meer, van niemand. De voorraden raakten op; het deegwaar zat vol beestjes en aan tafel werd geteld wie er de meeste uit zijn macaroni schepte. Er werd gemord en zelfs gefluisterd over muiterij.

Toen België capituleerde voer Van de Sande naar de enige Belgische bodem die er nog was. Op 1 juni 1940 viel het anker in de kreek van Banana, aan de monding van de Kongostroom; op de zesde bereikten ze Boma. Op 21 juni moesten alle kadetten om half vijf 's morgens naar het Fort van Shinkakasa, waar ze een geweer, munitie en zelfs een mitrailleur in ontvangst namen en te horen kregen dat ze voortaan onder militaire tucht stonden. Van welke instantie dat bevel kwam, is nooit duidelijk geworden.

Wat Londen ermee aan moest

In Londen wist men wel degelijk dat het schip er lag. Op 6 juli 1940 kwam bij de Admiraliteit en het Foreign Office een geheim telegram binnen van de Britse consul-generaal:

“Belgian training ship MERCATOR at Banana has 30 cadets age 17 to 19 and 5 officers. Government asks whether use can be found for the cadets as merchant marine officers and possible employment of ship or officers in South African waters.”

De Admiraliteit vond het een goed idee en schreef op 31 juli dat haar Lords het “very desirable” achtten van de kadetten gebruik te maken zoals voorgesteld. Maar het Britse Ministry of Shipping was, in de woorden van het dossier zelf, dilatory and unhelpful. En het Belgisch Comité voor de Scheepvaart weigerde er zich mee in te laten. Commandant Barbé van dat comité voerde aan dat “the cadets do not speak English”.

Daar zit de wending van dit verhaal. Had dat comité in juli 1940 anders beslist, dan was de bemanning van de Mercator bij de koopvaardij terechtgekomen – en dan had de Royal Navy Section Belge het moeten stellen met wat vissers en een paar pakketbootofficieren. Doordat de koopvaardij hen niet wilde, werden zij de kern van wat in 1946 de Zeemacht zou worden. Minister Gutt schreef het op 27 november 1940 met zoveel woorden: wie niet in de koopvaardij te gebruiken was, zou zijn militaire verplichtingen in Tenby in Wales gaan vervullen, en “le but final de l’entrainement est la constitution éventuelle d’unités de marine de guerre”.

H.M.S. Mercator

Het schip zelf bleef achter. Om aan geld te komen sloot de commandant een contract met de Compagnie Maritime Belge om zestig ton aardappelen van Boma naar Lobito te varen, bestemd voor de Leopoldville. De chef-steward bracht biggen aan boord en timmerde een hok tegen de reserveschroef; het schoonmaken ervan heette aan boord corvée cochons.

Op 21 november 1942 werd de charter-party getekend met het Ministry of War Transport, dat optrad voor de Royal Navy. Op 24 januari 1943 vertrok zij op eigen kracht naar Lagos, geescorteerd door de trawler Rumba, en op 8 februari 1943 liep zij de duikbootbasis van Freetown binnen. Vanaf de vijftiende voer zij onder de White Ensign, administratief gehecht aan H.M.S. Philoctetes, met sub-lieutenant Brodie als bevelhebber. Ze heette nu H.M.S. Mercator en diende twee jaar als drijvend rusthuis voor duikbootbemanningen die van Atlantische patrouille terugkwamen.

In augustus 1945 kwam ze vrij. Onder de waterlijn moesten veertigduizend putjes in de huid worden dichtgelast, de motoren waren stuk, het tuig onbetrouwbaar. Varen kon ze niet meer. De zeesleper Empire Mary nam wat er van haar over was begin 1946 op sleeptouw te Boma; op de overtocht verloren twee van de sleeprunners het leven. Op 18 januari 1947 zag de Mercator de Schelde terug, als een wrak – zeven jaar na een reis die voor vier maanden gepland was. Kadet Roger Ghys was al eerder thuisgeraakt, in november 1945, als bemanningslid working for passage op een Noorse tanker. Bijna zes jaar na zijn vertrek.

Van haar kadetten kwam een groot deel bij de Royal Navy terecht; hoe dat kwam, staat op de bladzijde over de Zeemacht.

Ze is hersteld en ligt sinds 1964 als museumschip in Oostende. Het Britse vaandel dat ze in 1945 meekreeg, hangt er nog. Foto's uit haar Freetownse jaren en de weg naar het museumschip staan bij de documentaires.

Overlord, en de twee stokers

In juni 1944 voeren drie Belgische schepen mee in Operation Overlord: de Belgique, de Julia en de Marcel. Op de bemanningslijst van de Belgique staan twee stokers, Van Gheluwe Edgard en Van Melkebeke Pieter. Zij waren in werkelijkheid kanonnier. Ze hadden erop aangedrongen aan de landing te mogen deelnemen en monsterden daarom als stoker aan.

Een half jaar later, op kerstavond 1944, werd de Leopoldville op vijf mijl van Cherbourg getorpedeerd met meer dan tweeduizend Amerikaanse soldaten aan boord. Zevenhonderddrieënzestig van hen kwamen om. Het was het zwaarste verlies dat een Amerikaanse infanteriedivisie in deze oorlog door een onderzeeer leed, en het werd meer dan vijftig jaar stilgehouden.

De prijs

Uit de lijsten in deze databank komen deze getallen: eenenvijftig schepen werkelijk verloren, samen 242.036 brutoton, en 1.592 doden. Die 242.036 ton is meer dan de helft van de 472.182 ton die de vloot in september 1939 mat.

Het laatste verlies staat in juli 1945, twee maanden na de Duitse overgave: de Emeraude, geen oorlogsfeit maar een nautisch ongeval. De oorlog op zee hield niet op omdat er in Europa vrede was. Op de cijferpagina staan deze verliezen maand per maand uitgezet.

Wat ervan bleef

Wie terugkwam, kwam terug in een land dat vijf jaar zonder hem had gedraaid en dat weinig wist van wat er op zee gebeurd was. Er was geen slagveld te bezoeken, geen front dat op de kaart had gestaan. Wat er is, zijn de monsterrollen, de processen-verbaal die op ambassades werden opgemaakt, en de herinnering van de mensen zelf.

Die stukken zijn de reden dat deze databank bestaat, en de reden dat ze nog kan groeien. Elke naam hier is een naam uit zo'n lijst. Wie een foto, een document of een verbetering heeft, kan die doorgeven – verschillende bladzijden op deze site staan er dankzij lezers die dat deden.

Nog een verhaal loopt hier vlak naast: dat van de Belgen die niet bij de koopvaardij maar bij de Royal Navy dienden, en van de Zeemacht die in 1946 uit hun afdeling ontstond. Zij staan op een eigen bladzijde.