De Zeemacht en de Belgen bij de Royal Navy
België had in 1940 geen marine, en in 1946 wel. Daartussen ligt een constructie die nergens anders bestond: een Belgische afdeling binnen de Britse Royal Navy, bemand met vissers en pakketbootofficieren. Dit is hoe dat ging, en waarom er uit de koopvaardij niemand bij mocht.
1940: geen marine
Wat België in 1939 had heette het Korps Mariniers, en het was geen marine maar een legereenheid, met officieren die in het burgerleven zeevarend waren. Op 15 september 1939 werd het gedeeltelijk gemobiliseerd om de neutraliteit te handhaven: een paar loodsboten van het Zeewezen, opgeeiste treilers en wat havenmaterieel, grotendeels vanuit Oostende.
Bij de Duitse opmars weken die schepen uit naar Frankrijk, kwamen op 13 juni te Lorient aan, schoven mee naar het zuiden en staken ten slotte over naar Portugalete bij Bilbao, waar ze werden geïnterneerd. Met de capitulatie hield het korps op te bestaan. Eén vaartuig had andere orders gekregen en haalde wel Engeland: de loodsboot MLB16, die als HMS Kernot de controlepost werd voor schepen die de haven van Liverpool binnenliepen.
Victor Billet
Dat er toch een Belgische marine kwam, is het werk van één man. Victor Billet was officier bij het Zeewezen; in juli 1940 lag zijn pakketboot Prince Philippe te Southampton. Hij vond dat België een zeemacht hoorde op te richten en legde dat voor aan de regering. Die zat toen nog in Frankrijk, dus kwam hij terecht bij René Boël van het Belgian Shipping Advisory Committee in Londen. Boël dacht eerst aan het heroprichten van het Korps Mariniers en stond er verder welwillend tegenover, maar de regering zelf had er nauwelijks belangstelling voor – en toen ze in oktober 1940 eindelijk in Londen aankwam, veranderde dat maar matig.
Billet werd het wachten beu en stapte naar de Britten met de vraag of Belgen dan maar bij de Royal Navy konden dienen. Er stonden er al zo'n driehonderdvijftig klaar. Londen had hen eenvoudig naar de Belgische koopvaardij, het leger of de luchtmacht kunnen sturen. Dat gebeurde niet.
Een vorm die nog nooit vertoond was
Admiraal Gerald Dickens, de Britse officier belast met de omgang met de bondgenootschappelijke vloten in ballingschap, nam Billets voorstel eind juli 1940 aan en bedacht er iets voor dat binnen de Royal Navy geen precedent had: geen zelfstandige Belgische marine, maar een Belgische afdeling binnen de Royal Navy zelf. In september ging het voorstel naar Boël, die het begin oktober voorlegde aan Camille Gutt – minister van financiën én van verkeerswezen, en dus de bevoegde man, want de zeevaart hoorde voor de oorlog bij Verkeerswezen en niet bij Landsverdediging.
De eerste vrijwilligers begonnen al in oktober 1940 hun opleiding in HMS Royal Arthur te Skegness. Op 3 april 1941 maakte de Admiraliteit het officiëel met een vlootorder die de Royal Navy Section Belge in het leven riep en regelde hoe er geworven, opgeleid, bevorderd en betaald zou worden. Die naam is met opzet zo gekozen: Belgian Section zou als R.N.B.S. te veel op de Royal Naval Patrol Service lijken. De Belgische manschappen werden administratief ondergebracht bij de havendivisie van Devonport, zonder eigen depot.
Hoe ongewoon het was, blijkt uit wat een Britse vice-admiraal er in januari 1944 over noteerde: binnen de Royal Navy had nooit eerder een afdeling bestaan die volledig uit buitenlanders was samengesteld.
Wie er dienden – en wie niet mocht
De manschappen kwamen grotendeels van de vissersvloot. Van de 507 opgeeiste vissersvaartuigen had ongeveer de helft Engeland gehaald; de Royal Navy nam een deel ervan over, en met de boten kwamen de bemanningen. Sommigen voeren eerst op Belgische vaartuigen die sperballons onderhielden of havenwerk deden en schoven daarna door naar de marine.
Officieren waren lastiger. Een aantal kwam van het Zeewezen, nadat de Royal Navy verscheidene pakketboten van de lijn Oostende–Dover had opgeeist als troepentransport. Een grote groep kwam van het schoolschip Mercator, dat in mei 1940 op oefenreis in de Zuid-Atlantische Oceaan zat en Belgisch Kongo binnenliep. De afvaartlijst noemt achtentwintig kadetten bij naam; een Brits telegram telde er in juli 1940 dertig. Zij werden naar Britse opleidingen gestuurd en kregen uiteindelijk een aanstelling bij de Royal Naval Reserve. Hun verhaal staat in het verhaal van de koopvaardij.
Uit de koopvaardij kwam niemand, en dat was geen toeval. Bemanningsleden van Belgische koopvaardijschepen mochten uitdrukkelijk niet toetreden, precies om de koopvaardij op sterkte te houden. Pas in december 1942 gaf de regering de zeelieden vrij die in het leger dienden: een honderdtal man, waarvan de koopvaarders terugkeerden naar de koopvaardij en de vissers naar de marine gingen.
Op haar hoogtepunt telde de afdeling negentig officieren en vierhonderd manschappen. Premier Pierlot benoemde Georges Timmermans tot hoogste Belgische officier; hij was in mei 1940 kapitein geweest van de pakketboot Prinses Astrid. Omdat hij zelf aanstellingen op Britse schepen en walbases vervulde en de afdeling niet commandeerde, was die functie meer symbolisch dan werkelijk.
De schepen
Het begon klein. Het eerste schip met een overwegend Belgische bemanning was de voormalige Franse onderzeebootjager HMS Quentin Roosevelt, in opleiding begin 1941. Daarnaast bemanden Belgen de patrouillevaartuigen Electra II, Phrontis, Raetia en Sheldon – voormalige treilers – en de Kernot. De meeste lagen op enig ogenblik te Liverpool.
Voor echt werk waren grotere schepen nodig. Zoals bij de meeste vloten in ballingschap leverden de Britten korvetten van de Flower-klasse: klein, eenvoudig gebouwd en niet zo verschillend van een treiler. HMS Godetia kreeg in februari 1942 een Belgische bemanning, HMS Buttercup in april. Allebei voeren ze als konvooiescorte, eerst in de Caraïben, daarna jarenlang op de Noord-Atlantische Oceaan tussen Newfoundland en Liverpool – dezelfde oversteek die de schepen in deze databank maakten. De Godetia lag in juni 1944 voor Normandië. In december 1944 gingen beide terug naar een Britse bemanning, niet omdat ze gemist konden worden maar omdat hun mannen dringender nodig waren om de Belgische wateren te vegen en de havens weer open te krijgen.
Dat laatste was het 118de mijnenvegersflottielje: motormijnenvegers die vanuit Aberdeen en daarna Harwich werkten, en die in september 1944 naar Oostende verhuisden. Zij veegden de Belgische wateren schoon in 1944 en 1945, ook voor de Nederlandse kust. Andere mannen van de afdeling heropenden de havens, waaronder Antwerpen, waar de geallieerde legers op wachtten.
En de Belgian Marine dan?
Hier hoort een onderscheid dat makkelijk misloopt. Naast de Royal Navy Section Belge bestond er nog een Belgische gewapende macht op zee: de Belgian Marine. Dat was iets heel anders.
De koopvaardijschepen kregen kanonnen, en die moesten bediend worden. De Nederlanders en de Noren haalden hun schutters uit hun marine. België had er geen, en koos in november 1940 een eigen oplossing: het leger stond er mannen voor af. Ze volgden zes weken opleiding in de Belgische sectie van het Britse D.E.M.S.-centrum te Liverpool, werden in ploegen van tien aan een Belgisch koopvaardijschip toegewezen, en droegen een Brits marine-uniform met het mutslint Belgian Marine en schouderstukken BELGIUM. Bij het eind van de oorlog werd de eenheid opgeheven.
De Belgian Marine was dus geen marine maar landmacht op zee, alleen voor de kanonnen van de koopvaarders. Zij is niet de voorloper van de Zeemacht; de Royal Navy Section Belge is dat wel. En omdat de Belgian Marine wél aan boord van onze schepen voer, is zij de eenheid die u in deze databank tegenkomt.
Dieppe
Billet, die zijn eigen regering flink tegen de haren in had gestreken om de afdeling er te krijgen, diende zelf als luitenant bij de Royal Naval Reserve, onder meer op de torpedojager HMS Brilliant en op motortorpedoboten. Na zijn overplaatsing naar Combined Operations nam hij deel aan de mislukte landing bij Dieppe op 19 augustus 1942, als verbindingsofficier bij een Canadese legereenheid aan boord van landingsvaartuig LCT 159. Hij kwam niet terug.
In de hele oorlog verloor de afdeling zes man: Billet, nog een officier, een onderofficier en drie manschappen. Sommigen sneuvelden op zee, anderen onder vijandelijk vuur in België.
1 februari 1946
In de eerste week van september 1944 werden Brussel, Antwerpen en Oostende bevrijd; op 2 november heette België bevrijd. Die maand nog verhuisden de Belgische marinemensen van de kazerne te Devonport naar een eigen walbasis te Oostende, HMS Royal Edmund II, en na de bevrijding van Antwerpen kwam daar HMS Royal Athelstan bij. In november 1945 besloot de regering nog eens twaalfhonderd man te werven.
Eind januari 1946 keurde de ministerraad een besluitwet goed die een Belgische marine oprichtte. Op 1 februari 1946 werd de Zeemacht officiëel opgericht; honderdzestig man stapten meteen over. Op 19 februari werd Georges Timmermans haar eerste commodore. Eind maart 1946 hield de Royal Navy Section Belge op te bestaan.
De marine die België vandaag heeft, begint dus niet bij een vooroorlogse vloot, maar bij vissers zonder marine-ervaring en bij pakketbootofficieren in Britse dienst.
Waar het onze lijsten raakt
Zelden, en dat is logisch: de twee werelden werden uit elkaar gehouden. Toch staan er sporen in deze databank.
Op de bemanningslijst van de Belgique, een van de drie Belgische schepen die aan Overlord deelnamen, staan zeventien man als dekpersoneel R.N. en R.N.R. Op die van de Persier staat een man van de Royal Naval Reserve wiens lichaam nooit is teruggevonden.
De kanonniers die u verder in de lijsten aantreft – 176 in het geheel, waarvan tweeentachtig als Brits genoteerd – horen niet bij de Royal Navy Section Belge maar bij de Belgian Marine en bij de Britse D.E.M.S.-organisatie. Twee van hen zijn te zien op de foto van de overlevenden van de Emile Francqui, aan hun mutslint herkenbaar.