Naar de inhoud
De Belgische Koopvaardij in oorlog · 1830–heden

Reders

Achter de zesenzestig schepen in deze databank staan acht reders. Twee daarvan waren grote lijnrederijen met een eigen geschiedenis van een halve eeuw; een andere bestond nog geen jaar toen haar drie schepen al gezonken waren. Hieronder staat wie ze waren, waar ze vandaan kwamen en wat de oorlog met hen deed.

RederijThuishavenOpgerichtBestond totSchepenVerlorenBRTDoden
Compagnie Maritime Belge (Lloyd Royal)Antwerpen18952722136.8301.035
Lloyd Royal BelgeAntwerpen19161930
Armement DeppeAntwerpen18631984151532.88894
Société Maritime AnversoiseAntwerpen19407722.608110
Agence Maritime InternationaleAntwerpen1919115.1861
Purfina, Armement de GandGent1920114.9195
Belgian Gulf Oil CoAntwerpen117.13813
De Belgische StaatLonden194019458214.12622
Armement Hermans33
Armement CockerillHoboken22
Armement Goossens22
Armement AnversoisAntwerpen11
Firma Snauwaert11
Sonaco11
Armement Verschueren11
Plouvier Maritime11
Armement Vloebergs11
Lijn Oostende-DoverOostende22

Geteld over de schepen in deze databank, niet over de hele vloot van elke rederij. Klik op een kolomkop om te sorteren.

17 mei 1940: de vloot wordt opgeëist

Zeven dagen na de Duitse inval, met het leger nog in het veld, belde de directeur-generaal van het Zeewezen vanuit Brussel naar de Belgische ambassade in Londen met de opdracht de volledige koopvaardijvloot op te eisen. De wettelijke grond lag klaar: de wet van 12 mei 1927 en het koninklijk besluit van 3 mei 1939. De ambassade gaf het bevel door aan de Belgische diplomaten en consuls over de hele wereld, en van dat ogenblik af voeren de schepen niet meer voor hun reder maar voor de regering in ballingschap, verhuurd aan het Britse Ministry of War Transport.

Dat verklaart waarom de reders hieronder er in de oorlogsjaren nauwelijks nog toe deden voor de vaart zelf. Een kapitein bleef in dienst van zijn maatschappij, maar zijn reis werd elders bepaald. De kanonnen aan boord werden bediend door de Belgian Marine, een aparte eenheid waarvoor het leger vanaf november 1940 mannen afstond, opgeleid in het Britse D.E.M.S.-centrum in Liverpool – vandaar dat er in de bemanningslijsten van deze databank naast Belgische ook Britse kanonniers aan boord staan. Meer daarover op de verhaalpagina.

Compagnie Maritime Belge (Lloyd Royal) Antwerpen

Congo, en daarna de wereld

Opgericht
1895
Thuishaven
Antwerpen

De grootste Belgische rederij begon als een Britse. Op 24 januari 1895 werd in Antwerpen de Compagnie Belge Maritime du Congo opgericht, op vraag van Leopold II en met Brits geld: de maatschappij was in feite een tak van de African Steam Ship Co van Elder Dempster in Liverpool. Op 6 februari 1895 vertrok de eerste Léopoldville uit Antwerpen naar Congo-Vrijstaat. De lijn was Belgisch van naam en Brits van kapitaal; pas nadat Congo in 1908 een Belgische kolonie werd, kwam er een patriottische beweging op gang om er ook werkelijk een Belgische maatschappij van te maken.

Vijfendertig jaar lang voer de maatschappij alleen op Congo: passagiers, vracht en post, met de befaamde -ville-lijnschepen die naar de koloniale steden heetten – Léopoldville, Albertville, Elisabethville, Thysville. In 1930 nam ze de in moeilijkheden verkerende Lloyd Royal Belge over. De naam werd Compagnie Maritime Belge (Lloyd Royal), en voor het eerst kwamen er lijnen bij op Noord- en Zuid-Amerika en het Verre Oosten. Daarmee kwam ook de -ier-vloot van de Lloyd binnen: de Persier, de Indier, de Macedonier, de Olympier.

De oorlog kostte de maatschappij het grootste deel van haar vloot. Op kerstavond 1944 verloor ze met de Léopoldville ook het schip waarmee alles in 1895 begonnen was – de vierde van die naam, vol Amerikaanse infanterie op weg naar Cherbourg. De vloot werd na de oorlog snel heropgebouwd. In 1960 nam CMB op haar beurt Armement Deppe over.

Schepen in deze databank (19)

Lloyd Royal Belge Antwerpen

Opgericht om België te eten te geven

Opgericht
1916
Bestond tot
1930
Thuishaven
Antwerpen

De Lloyd Royal Belge is niet uit handelslust ontstaan maar uit honger. In het voorjaar van 1916 verbood de Britse regering haar eigen schepen nog vracht te varen tússen neutrale havens. Daarmee kwam de graanhulp van de Commission for Relief in Belgium – het hulpprogramma van Herbert Hoover, dat Amerikaans graan over Rotterdam naar bezet België bracht – zonder scheepsruimte te zitten.

Het antwoord was een eigen vloot. Op 26 juni 1916 gingen drie rederijen samen in de Lloyd Royal Belge: de Antwerpsche Zeevaart Maatschappij, de Scheepvaartmaatschappij Gylsen en de S.A. de Commerce et de Navigation, alle drie in handen van de reders A. Brys en H. Gylsen. Het hoofdkantoor stond op papier in Antwerpen, maar dat lag bezet; de maatschappij werkte de oorlog door vanuit ballingschap en betrok pas op 7 april 1919 haar eigen kantoren in de stad.

De Lloyd noemde zijn schepen op -ier. Vier ervan varen door deze databank: de Persier, de Indier, de Macedonier en de Olympier. De maatschappij hield het geen vijftien jaar uit: de crisis brak haar, en in 1930 werd ze overgenomen door de Compagnie Belge Maritime du Congo. Haar naam bleef nog decennia in die van de opvolger staan.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Armement Deppe Antwerpen

De oudste van allemaal

Opgericht
1863
Bestond tot
1984
Thuishaven
Antwerpen

Armement Deppe is de oudste maatschappij in deze databank. Ze werd in 1863 in Antwerpen gesticht door Adolph Deppe, in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de haven een reeks grote rederijen voortbracht. Later voerde ze ook de naam Compagnie Nationale Belge de Transports Maritimes.

Deppe legde zich toe op de vaart naar Midden- en Zuid-Amerika. In 1906 richtte ze daarvoor de Compagnie Royale Belgo-Argentine op. Haar schepen droegen Belgische provincie- en stadsnamen, en dat is in deze databank goed te zien: de Brabant, de Limbourg, de Luxembourg, de Hainaut, de Gand, de Bruxelles. Acht Deppe-schepen staan hier, en op alle acht vielen doden.

De maatschappij overleefde de oorlog wel, maar niet als zelfstandige: in 1960 nam CMB haar over, en op 1 januari 1984 ging ze helemaal in NV CMB SA op. Daarmee eindigde honderdtwintig jaar Antwerpse rederij.

Schepen in deze databank (8)

Société Maritime Anversoise Antwerpen

Een Belgische vlag voor Amerikaanse schepen

Opgericht
1940
Thuishaven
Antwerpen

De Société Maritime Anversoise is geen gegroeide rederij maar een juridische constructie, en wel een Amerikaanse. President Roosevelts Neutrality Acts verboden Amerikaanse schepen te varen in de oorlogszone. Om dat te omzeilen werd in 1940 in Antwerpen de SMA opgericht, voor zestig procent Belgisch en veertig procent in handen van United States Lines. Amerikaanse schepen gingen over naar de nieuwe maatschappij, kregen een Belgische naam en een Belgische vlag, en voeren verder.

De drie SMA-schepen in deze databank waren alle drie Hog Islanders, in 1920 gebouwd op de reusachtige oorlogswerf van Hog Island bij Philadelphia. In februari 1940 gingen ze over:

Het uitstel duurde kort. De Ville de Gand ging in augustus 1940 verloren, de Ville d’Arlon in december – met de hele bemanning – en de Ville de Liège in april 1941. Alle drie binnen acht maanden, alle drie door een U-boot. Aan het eind van de oorlog was de Ville d’Anvers het enige SMA-schip dat nog voer.

Schepen in deze databank (3)

Agence Maritime Internationale Antwerpen

De agent die reder werd

Opgericht
1919
Thuishaven
Antwerpen

De Agence Maritime Internationale werd op 3 maart 1919 in Antwerpen opgericht en nam de zaken over van het scheepsagentschap Walford. Ze begon dus als agent – het huis dat schepen klaart, bevracht en bemant voor andermans rekening – en kreeg datzelfde jaar het beheer van de Belgische Congo-maatschappij toevertrouwd. Maar ze voer ook onder eigen naam.

Eén AMI-schip staat in deze databank: de Kabalo, in 1917 in Birkenhead gebouwd, 5.186 ton, onder kapitein Vogels. Ze werd in oktober 1940 getorpedeerd op de Atlantische Oceaan. De overlevenden kwamen aan wal op de Azoren – opgepikt door de onderzeeboot die hen tot zinken had gebracht – en werden vanuit Lissabon gerepatrieerd: een deel van de Belgen naar bezet België, de Congolese stokers naar Congo.

Schepen in deze databank (1)

Purfina, Armement de Gand Gent

Roemeense olie, Gentse tankers

Opgericht
1920
Thuishaven
Gent

Het moederhuis ontstond uit de afwikkeling van de Eerste Wereldoorlog. Vier Roemeense oliemaatschappijen waren na 1918 op hun Duitse eigenaars in beslag genomen en kwamen goedkoop te koop. Om ze te kopen werd op 25 februari 1920 in Antwerpen de Compagnie Financière Belge des Pétroles opgericht, door Auguste Diagre, Hector Carlier, diens broer Fernand en Aloys Van de Vyvere, met de Bank van Antwerpen achter zich. Drie van de vier Roemeense bedrijven werden samengevoegd tot Concordia, die in 1921 al 128.500 ton produceerde – elf procent van de hele Roemeense olieproductie. De naam Petrofina is niet bedacht maar gegroeid: het was het telegramadres van het huis, en dat bleef hangen.

Ruwe olie moet ergens aan land komen, en daarvoor werd in mei 1920 samen met het Amerikaanse Pure Oil een tweede vennootschap opgericht: Purfina, voor de verkoop in België en Nederland. In 1923 kocht Petrofina haar mede-eigenaar uit – Purfina werd een volle dochter – en nam ze een kleine raffinaderij te Ertvelde bij Gent over. Van dan af was Gent de thuishaven, en vanaf 1924 voer Purfina met eigen tankers.

Dat is de reden dat deze rederij hier onder haar eigen naam staat en niet onder die van het moederhuis. Wie in de papieren kijkt, vindt de President Francqui ingeschreven op de Société Anonyme Purfina Armement de Gand – zo staat het in het proces-verbaal dat de eerste officier op 3 mei 1943 in Londen aflegde, en zo verklaart het waarom een tanker met een Antwerps concern erachter Gent als thuishaven had. In Engeland werd de maatschappij vertegenwoordigd door C.T. Bowring & Co. te Londen.

Tankerwerk was in de oorlog het gevaarlijkste dat er was, en de vloot betaalde ernaar: van de vijf tankers van het concern overleefde er één de oorlog. De Purfina zelf liep op 3 juni 1940 op een mijn op de rede van Le Havre. De President Sergent werd op 18 november 1942 getorpedeerd, met eenentwintig doden. Zes weken later, eind december 1942, was het de beurt aan de President Francqui, ten noorden van de Azoren.

Schepen in deze databank (1)

Belgian Gulf Oil Co Antwerpen

Amerikaans olieconcern onder Belgische vlag

Thuishaven
Antwerpen

De Belgian Gulf Oil Co SA in Antwerpen was de Belgische dochter van het Amerikaanse Gulf Oil. Ze bezat vier tankers onder Belgische vlag, en die vlag bleek in 1940 zwaarder te wegen dan de Amerikaanse moeder.

Op 7 juni 1940 eiste de Belgische regering de tanker Lubrafol op via haar consul in New York. De maatschappij erkende de opeising en voer het schip nog ongeveer vier maanden voor eigen rekening onder licentie. Eind oktober 1940 liet de regering aan Gulf Oil weten dat alle vier de tankers van Belgian Gulf werden overgenomen en aan het Britse Ministry of Shipping zouden worden verhuurd. Gulf Oil legde zich daar niet zonder meer bij neer; de zaak kwam voor een Amerikaanse rechtbank te staan als Government of the Kingdom of Belgium v. Lubrafol.

Het schip zelf werd op 9 mei 1942 voor de kust van Florida getorpedeerd, met 67.000 vaten stookolie aan boord.

Schepen in deze databank (1)

De Belgische Staat Londen

De reder zonder kantoor

Opgericht
1940
Bestond tot
1945
Thuishaven
Londen

Na 17 mei 1940 was de Belgische Staat in zekere zin de reder van de hele vloot. Maar hij bezat ook zelf schepen, en die zijn aan hun naam te herkennen: de Britse regering droeg in 1941 en 1942 nieuwgebouwde standaardschepen van het Empire-type over aan België, en die kregen een nieuwe naam die begon met Belgian. Het beheer ging naar de Compagnie Maritime Belge.

  • Empire Selwyn (Doxford, Sunderland, 1941) → Belgian Soldier, in 1942 overgedragen
  • Empire Ballantyne (Harland & Wolff, Govan, 1941) → Belgian Airman, overgedragen op 14 februari 1942
  • Empire Lapwing – zelf al twee keer van naam veranderd, gebouwd in 1921 in Harriman, Pennsylvania → Belgian Fighter, overgedragen op 15 februari 1942

Alle drie gingen ze verloren: de Belgian Soldier in augustus 1942, de Belgian Fighter in oktober 1942 voor Kaapstad, de Belgian Airman pas in april 1945, een maand voor het einde, voor de kust van North Carolina.

Schepen in deze databank (2)

Armement Hermans

Zeven van de tien

Van de tien schepen die Armement Hermans bezat gingen er zeven verloren, zeventig procent. Vier daarvan verdwenen in de eerste oorlogswinter in de Britse kustwateren: de Quenast in een storm, de Rosa op een mijn voor de Tyne, de Meuse bij de Haisborough Banks – van haar werd een vlot met bevroren doden teruggevonden – en de Charles op de kust bij Whitby.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Armement Cockerill Hoboken

Twee schepen die de bezetter buitmaakte

Thuishaven
Hoboken

Armement Cockerill verloor twee van zijn vijf schepen, en beide onder de vlag van de bezetter: de Diamant en de Turquoise waren buitgemaakt en kwamen om terwijl zij in Duitse dienst voeren. Op de werf van Cockerill nam de bezetter bovendien de rompen in beslag die daar in aanbouw lagen; twee daarvan, de Fusilier en de Florida, gingen als Duitse schepen ten onder.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Armement Goossens

Twee van de drie

Armement Goossens had drie schepen en verloor er twee. De Suzon werd getorpedeerd op 1 oktober 1939, in de eerste maand van de oorlog; de Vae Victis liep op een mijn bij de boei van Aldeburgh op 20 april 1942.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Armement Anversois Antwerpen

Het laatste schip uit Antwerpen

Thuishaven
Antwerpen

De Brabo van het Armement Anversois was op 14 mei 1940 het laatste schip dat de haven van Antwerpen verliet. Dat zij niet ongeschonden aan de vijand werd gelaten, schreef Scarcériaux toe aan de energie van hoofdwerktuigkundige Van Bauwel. Bijna twee jaar later zonk zij alsnog, na een aanvaring bij de invaart van Newcastle.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Firma Snauwaert

Eén schip, verloren te Bayonne

De firma Snauwaert bezat één schip. De Jacqueline diende in september 1944 als hulpschip te Bayonne, waar de Duitsers haar tot zinken brachten.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Sonaco

Vrijgegeven en toch ingezet

De Bizon van de Sonaco was buitgemaakt en daarna door het prijzenhof van Hamburg vrijgegeven – maar zij bleef in Duitse dienst varen. Op 8 april 1944 werd zij bij de Kanaaleilanden door een Britse motorboot tot zinken gebracht.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Armement Verschueren

Eén schip, en zwaar weer

Het Armement Verschueren bezat één schip. De Pallieter ging op 1 februari 1941 verloren bij zwaar weer voor de Mersey, nadat haar lading was gaan schuiven.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Plouvier Maritime

Van kustvaarder tot Sperrbrecher

De Alca van Plouvier Maritime lag bij Boel toen de bezetter haar opeiste. Zij werd omgebouwd tot Sperrbrecher 185 Hansburg, een schip dat voor konvooien uit mijnenvelden moest varen, en kwam om in droogdok 5 te Wilhelmshaven bij het luchtbombardement van 12 april 1945.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Armement Vloebergs

Onder vreemde vlag, in eigen dienst

De Johan van het Armement Vloebergs was met recht van wederinkoop verkocht en voer onder Panamese vlag als Trinidad. Onder die vlag zette zij in 1940 en 1941 geheime agenten af in Noord-Afrika. Op 10 mei 1940 was zij Dordrecht uitgeglipt terwijl de vijand de spoorbrug bezet hield; op 5 september 1941 brachten springladingen van een onderzeeboot haar in de Atlantische Oceaan tot zinken.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Lijn Oostende-Dover Oostende

De pakketboten onder de White Ensign

Thuishaven
Oostende

De lijn Oostende-Dover verloor twee van haar negen pakketboten. De Prince Philippe was op 13 mei 1940 onafgewerkt uit Hoboken naar Engeland geëvacueerd en zonk in de nacht van 15 juli 1941 na een aanvaring in de Ierse Zee; de Prince Leopold liep op 29 juli 1944 op een mijn bij de Nab Tower. Beide voeren in Britse dienst, onder de White Ensign. Scarcériaux rekende deze schepen niet mee in zijn telling van zevenenzeventig verliezen.

Naar de voordracht van Paul E.R. Scarcériaux voor de Marine Academie van België, 16 oktober 1951.

Geen schepen in deze databank; wel de voorloper van een reder die er wel heeft.

Wat hier nog ontbreekt

Van 28 van de 63 schepen is de reder hier nog niet vastgesteld. De bemanningslijsten noemen de maatschappij niet; wat hierboven staat, is bijeengezocht uit scheepsregisters, museumcollecties en naslagwerk, en alleen opgenomen waar een bron het uitdrukkelijk zegt. Een schip aan de verkeerde reder toeschrijven is erger dan het open laten.

Weet u bij welke maatschappij een van die schepen voer, of hebt u een monsterrol, een zeemansboekje of een reisbrief die het aantoont? Dat is precies wat deze lijst verder helpt – zie de contactpagina.